Direct naar de inhoud

Nederlandse scholen omringen docenten met onderwijsassistenten

Opinie

vrijdag 7 oktober 2011

Artikel overgenomen uit "Brussel Deze week"
vrijdag 7 oktober 2011, 09u07 | 
Bettina Hubo © Brussel Deze Week

Niet alleen het basisonderwijs, ook de Nederlandstalige middelbare scholen in Brussel kampen met moeilijke klasgroepen, taalachterstand en een lerarentekort. CD&V-parlementsleden Paul Delva en Bianca Debaets pleiten voor het inzetten van onderwijsassistenten. Vorige week gingen ze kijken in Nederland, waar die onderwijshulpkrachten al enige jaren aan de slag zijn.

Het lerarentekort in Brussel is tien keer groter dan dat in Vlaanderen, zo bleek enkele maanden geleden uit een CD&V-enquête. Terwijl in Vlaanderen 38 procent van de leraren in het middelbaar onderwijs het binnen de vijf jaar voor bekeken houdt, gaat het in Brussel om 62 procent. En het probleem groeit alleen maar, zegt Petrus Van Den Cruyce, directeur van de middelbare scholen van het vrije net.

“Tot voor enkele jaren zaten we pas in het midden van het schooljaar in de problemen. Nu vallen de gaten al vanaf eind september. In sommige scholen krijgen de leerlingen in bepaalde vakken een half jaar lang geen les, gewoon omdat er geen leraar is. Er is vooral gebrek aan leerkrachten Frans en wiskunde.”

Niet zo vreemd dus dat er in Brussel veel meer leraren voor de klas staan die niet het vereiste diploma hebben maar een zogenaamd ‘voldoende’ of ‘ander’ getuigschrift. Die laatste categorie kan nooit vast benoemd worden. Van Den Cruyce: “Je kunt hen daardoor ook niet binden aan de school.”

Onderzoek van het Brussels Ondersteuningscentrum Secundair Onderwijs (Broso) leert voorts dat de gemiddelde leerling die begint in een Brusselse middelbare school nogal wat taalachterstand heeft. “Zowel qua woordenschat als qua begrijpend lezen loopt hij ruim zeven maanden achter,” zegt Broso-coördinator Helga De Braekeleer.

De taalachterstand van de leerlingen en de hoge werkdruk zijn de belangrijkste redenen waarom leerkrachten Brussel zo massaal ontvluchten, zo blijkt uit de CD&V-enquête. Meer nog dan aan financiële stimuli hebben de Brusselse leerkrachten behoefte aan ondersteuning in de klas.

Windesheim


Brussels parlementslid Debaets en Vlaams parlementslid Delva stelden daarom co-teaching voor, twee leraren voor de klas. Maar ze kregen al vlug van Van Den Cruyce te horen dat dat geen realistische optie is. Immers, als er geen leraren te vinden zijn, zijn er ook geen coleraren. Werken met onderwijsassistenten daarentegen zou wel een werkbare oplossing kunnen zijn. Deze nieuwe functie, die ook in de Talennota van Vlaams minister van Onderwijs Pascal Smet (SP.A) ter sprake komt, bestaat in Nederland al verschillende jaren. Dus gingen Delva en Debaets, samen met Van Den Cruyce en De Braekeleer, op bezoek in het noorden van Nederland.

De tocht begint in hogeschool Windesheim in Zwolle. Die leidt sinds enkele jaren mensen op die in het middelbaar of bijzonder onderwijs werken zonder didactisch diploma. Ze worden dan onderwijsassistent of, een stapje hoger, instructeur.

De studie wordt overigens niet gefinancierd door de Nederlandse overheid, vertelt Kees van Someren, hoofd van de opleiding. Het vergt dus enige investering van de school-werkgever. Die moet bereid zijn 4.000 euro te betalen en de medewerker een klein jaar lang één dag per week vrij te stellen, zodat die naar de opleiding van Windesheim kan. Van Someren: “Maar de school krijgt er een geschoolde kracht voor terug die bovendien een aantal jaren moet blijven, wil hij niet verplicht worden het lesgeld terug te betalen.”

Zo is er Erik Rijkeboer, die na een beroepsopleiding elektrotechniek enkele jaren in het drukke bedrijfsleven werkte en, om wat meer rust te hebben, als conciërge en klusjesman in een college aan de slag ging. Hij was er nog geen maand of een van de docenten vroeg hem of hij de praktijkklas elektrotechniek een uurtje wilde overnemen van een zieke collega. Dat gebeurde steeds vaker. Op den duur stuurde de school hem naar de opleiding onderwijsassistent en later werd hij instructeur. Nu runt hij de afdeling installatietechniek. Allemaal in goed overleg met de docenten. “Ik doe vaak hetzelfde werk als zij, maar de docenten nemen er alle vergaderingen en het papierwerk bij. Het is dus logisch dat zij meer verdienen.”

Leerwerkmeesters

Een andere afgestudeerde van Windesheim, Lucia van Schaik, leidt in het Drenthecollege in het naburige Meppel de leerwerkonderneming Paperas. Het is een schoolbedrijfje dat met de leerlingen visitekaartjes en folders opmaakt en print voor verenigingen en particulieren.

“Af en toe neem ik ook een les over van een docent, maar ik gebruik dan zijn materiaal,” vertelt Van Schaik. “En ik doe ook maar een deel van de beoordeling van de leerlingen.”
De scholen in Nederland krijgen een bepaald bedrag waarmee ze alles – gebouw, leerkrachten, overige kosten – moeten betalen. Ze mogen zelf bepalen of ze docenten dan wel onderwijsassistenten aantrekken.

De Maat in Ommen, een school voor leerlingen met een lichte verstandelijke beperking, werkt met vijftien docenten en negen leerwerkmeesters. De meeste van deze leerwerkmeesters, die aanvankelijk een ICT- of andere vaktechnische achtergrond hadden, kregen inmiddels een opleiding tot instructeur. Zij leiden nu de praktijkklassen hout, metaal, groenverzorging en koken waarmee men de jongeren wil voorbereiden op werk en een plaats in de maatschappij. “Door onze medewerkers de opleiding tot instructeur te laten volgen, kunnen we hen veel zelfstandiger laten werken,” zegt directeur Edward Ypey.

In Nederland zetten de scholen de onderwijsassistenten dus vooral in de technisch richtingen in. De docent voor de theorie, de onderwijsassistent voor de praktijk. Van Den Cruyce en De Braekeleer denken dat onderwijsassistenten zich in de Brusselse scholen ook op een andere manier nuttig zouden kunnen maken. De Braekeleer: “Ze zouden kleine groepjes leerlingen taalondersteuning kunnen geven of hen helpen, bijvoorbeeld bij het invullen van de agenda.” Dat is ook de zienswijze van Delva en Debaets. “Taalzwakke leerlingen zou men op die manier extra aandacht kunnen geven ,” zegt Debaets.

Van Den Cruyce vindt zijn onderwijsassistenten ook nodig om het lerarentekort op te vangen. “We zullen het wel zo móeten doen. Het tekort is zo groot dat elk initiatief welkom is.” Maar zullen er in Brussel binnenkort dan onderwijsassistenten alleen voor de klas staan? Van Den Cruyce: “Je kunt een leraar verantwoordelijk maken voor twee klassen en hem laten bijstaan door onderwijsassistenten. Dat is altijd beter dan geen leraar.”

Dat kan natuurlijk alleen als die onderwijsassistenten de nodige didactische vaardigheden hebben. In Nederland betalen de scholen de prijzige opleiding van hun medewerkers van het ruime nascholingsbudget. De Vlaamse nascholingsbudgetten zijn volgens Van Den Cruyce een flink stuk kleiner. “Maar heel wat nascholingsmogelijkheden zijn wel bijna gratis.” Voorts zullen de onderwijsassistenten in hun school begeleid moeten worden door een ervaren leraar-coach. “In dat opzicht is het jammer dat de mentoruren afgeschaft zijn,” zegt De Braekeleer. Rest alleen nog de vraag of er voor deze nieuwe banen dan wel kandidaten te vinden zullen zijn. Van Den Cruyce: “Je boort een ander potentieel aan. Ik denk aan maatschappelijk werkers. Die zitten vaak zonder werk. Ook het werkloosheidsprobleem wordt dus aangepakt
 

 

Labels: Bianca Debaets Paul Delva Opinie

Reageer

Uw e-mailadres wordt nooit publiek gemaakt.
Reacties met reclame, spam of scheldpartijen worden verwijderd. Gelieve enkel te reageren op dit onderwerp, gebruik voor algemene vragen onze contactpagina.

© CD&V  —  Wetstraat 89, 1040 Brussel  —  tel: 02 238 38 11  —  info@cdenv.be